Naast de bekende maatregelen om de uitstoot van fijnstof tegen te gaan, zoals luchtwassers, kunnen bomen en planten ook bijdragen aan de vermindering van fijnstof. Uit onderzoek blijkt dat beplanting kan bijdragen aan de verlaging van de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofdioxide.

Bomen vangen stikstofoxide, ozon, ammoniak, zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen op: ze vangen vervuiling af via de huidmondjes op de bladeren. Fijnstof wordt met name goed weggevangen door bomen of struiken met ruwe, harige bladeren. Door regen of wind komt het fijnstof dan op de grond en in de bodem terecht. Met name naaldbomen (zoals den of lariks) zijn goed in het vastleggen van de kleine deeltjes.
Naast fijnstof kunnen bomen ook ammoniak wegvangen en in het systeem vastleggen. Hiervoor zijn loofbomen beter geschikt dan naaldbomen.
Ten slotte is de vorm van het beplantingselement van belang. Lijnvormige elementen zoals houtsingels of houtwallen waarbij sprake is van een wat rommelige structuur, bestaande uit bomen en struiken waar de luchtstroming goed doorheen kan, zijn het meest optimaal.

Kortom, beplanting wordt niet alleen toegepast om de wind te breken of de stal landschappelijk in te passen, maar ook om de invloed van fijnstof en andere vervuiling op de omgeving te verminderen.

Wilt u hier meer over weten, neem dan contact op met mevrouw L. de Graaf, telefoon 06-17589060.